|
Meervoudige Frequentie referentie
(Eerder gepubliceerd in Electron #6, 2012)
Inleiding
Na het ontwerp van de
frequentie referentie schakeling gekoppeld aan de DCF77 tijdzender, heb ik daar wat
ervaring mee opgedaan. De schakeling blijkt uitstekend te werken onder dag-
en nachtomstandigheden en komt ook onder minder gunstige omstandigheden
(diverse stoorbronnen) snel in-lock en voldoet
dan aan de eerder gemelde specificaties. Een klein nadeel van de schakeling
is echter dat hiervoor een bestaande lange-golf ontvanger moet worden
'omgebouwd' naar een frequentie buiten deze band, omdat de meeste lange
golfontvangers pas beginnen bij 150 kHz. en DCF77 zendt op 77,5 kHz. In het
vorige verhaal werd deze ombouw duidelijk beschreven en hieruit blijkt dat
dit een eenvoudig karwijtje is. Toch moet er worden ingegrepen in de
ontvanger, hetgeen sommigen misschien zou kunnen tegenhouden.
Een tweede nadeel betreft het
'antenne-effect'. De ontvanger krijgt zijn signaal van de ingebouwde
ferriet antenne. Deze kan door de geringe antenne-'hoogte' maar een zwak
signaal ontvangen, te meer daar het DCF77 station maar uitzend met een
relatief gering vermogen van 50 kW. Alle extra bedrading aan zo'n ontvanger
fungeert ook als antenne, en zal een extra signaal leveren (en ook storing)
dat vaak net zo groot is en soms groter dan het ontvangen signaal. Omdat
een frequentie referentie nu eenmaal bedoeld is om hierop andere
instrumenten aan te sluiten, moet bij elk aangesloten apparaat steeds de
sterkte van het ontvangen signaal (op de meter) worden bijgesteld.
Het derde punt betreft het
zendersignaal zelf. De tijdinformatie wordt uitgezonden als een amplitude
modulatie, waarbij 100% draaggolf fungeert als signaal referentie en het
terugvallen hiervan naar 15% draaggolf als informatie. De lengte van deze
terugval (100 of 200 msec.) bepaalt de waarde '1'
of '0' van deze (digitale) informatie, waarmee in de loop van een minuut
naast de juiste tijd ook de dag van de week, de maand en het jaar worden
meegegeven, plus nog een paar additionele zaken. De modulatie van 100% naar
15% is erg groot, en levert na de
discriminator dan ook veel extra ruis. Verder geeft deze tijdzender naast
amplitude modulatie ook nog fase modulatie in de vorm van een fase
verschuiving van 13 graden. Elke fase uitwijking wordt direct gecompenseerd
met een daarop volgende uitwijking in de tegengestelde richting, zodat de
gemiddelde uitwijking van de draaggolf steeds gelijk is aan nul en de
totale stabiliteit van de draaggolf gemiddeld blijft voldoen aan de
hoge nauwkeurigheid en stabiliteit als opgegeven (2. 10^-12 over een dag).
De genoemde fase modulatie zien we echter direct terug achter de
discriminator, waarmee alvast een deel van de compensatie ruimte van de
fase gekoppelde lus wordt 'opgebruikt'.
Na deze ervaringen heb ik
daarom een tweede ontwerp gemaakt om aan de genoemde 'bezwaren' tegemoet te
komen.
Welke referentie zenders
Als eerste heb ik gekeken
welke omroep stations in aanmerking kwamen als nauwkeurige frequentie
referentie. De volgende tabel kan worden opgesteld.
|
|
frequentie
|
frequentie
|
vermogen
|
sterkte
(S-punt)
|
tijd (t) /
|
|
|
|
Station
|
kHz
|
nauwkeurigheid
|
kW
|
11.00 / 21.00
|
omroep (o)
|
modulatie
|
|
|
MSF/Rugby
|
60
|
2.10^-12
|
15
|
2 / 2.
|
t
|
AM
100%
|
|
|
DCF77/Mainflingen
|
77,5
|
2.10^-12
|
50
|
4 / 3.
|
t
|
AM
85% + PM 13 grd.
|
|
DLfunk/Donebach
|
153
|
10^-12
|
500
|
8 / 9.
|
o
|
AM
30 %
|
|
|
France
Inter/Allouis
|
162
|
10^-12
|
2000
|
9+ / 9+
|
t+o
|
AM
30% + PM 1 rad.
|
|
BBC4/Droitwich
|
198
|
10^-12
|
500
|
9 / 8-9.
|
t+o
|
AM
30% + PM 1 rad.
|
Er zijn in Europa nog meer
van deze stations, maar die zijn vaak niet met een simpele ontvanger met voldoende
signaal/stoor afstand te ontvangen. In de wereld zijn nog veel meer van
deze tijdzenders te vinden, en ook die voldoen helaas niet aan het
criterium van voldoende ontvangst.
De reden dat de stations
allemaal in de lange golf uitzenden of met nog grotere golflengtes, heeft
te maken met propagatie van dit soort signalen. Hoe lager de frequentie,
hoe minder de momentane fase van het signaal wordt beïnvloedt en dus hoe
nauwkeuriger de frequentie referentie kan zijn. Toch zijn er ook op hogere
frequenties van deze tijdreferentie zenders te vinden, tot in het (hoge) HF
gebied aan toe, denk hierbij aan het Amerikaanse WWV station. Voor een
frequentie referentie op deze hoge(re) frequenties kan echter alleen
gebruik worden gemaakt van de grondgolf, die helaas niet erg ver reikt.
Daarmee komen tijdreferentie stations op de hogere frequenties niet in
aanmerking om toegepast te worden in een frequentie referentie systeem.
Ook de standaard
omroepzenders komen niet in aanmerking, omdat deze tot nu toe zelden gebruik
maken van een voldoende nauwkeurige referentie voor het opwekken van de
draaggolf. Doorgaans ligt deze stabiliteit en nauwkeurigheid in de orde van
enkele ppm. en dat niet beter dan wij zelf kunnen
bereiken met een eenvoudige kristal oscillator.
Een andere situatie ontstaat
bij een van GPS afgeleide frequentie. De draaggolf van deze satelliet
stations ligt weleenswaar rond de 1,5 GHz., maar
deze signalen kunnen doorgaans rechtstreeks worden ontvangen waardoor
propagatie verschijnselen door de atmosfeer een kleinere rol spelen. Bij de
gebruikelijke, van GPS afgeleide, frequentie referentie systemen wordt
echter (noodgedwongen) gebruik gemaakt van een OEM module, die uit het
tijdsignaal een nauwkeurige puls met een frequentie van 1 Hz. afleidt. Om met
dit signaal een 10 MHz. oscillator te controleren is echter niet eenvoudig
en hiervoor dienen integratoren te worden toegepast met zeer grote tijdconstantes. Deze worden doorgaans m.b.v. software
gecontroleerde systemen bereikt en deze moeten dan ook lange tijd worden
ingeschakeld om de eindstabiliteit te bereiken. Dan nog ligt deze
eindstabiliteit in de orde van 10^-9, en dat kan ook worden bereikt met
eenvoudiger systemen gebaseerd op lange-golf tijdzenders. Bovendien dienen
GPS systemen voorzien te zijn van een speciale antenne, die buitenshuis, of
tenminste direct voor het raam met een gunstige hoek naar de
satellietbanen, worden opgesteld.
Verdere ontwerp overwegingen
Als referentie frequentie werd
opnieuw gekozen voor 10 MHz., omdat deze frequentie vaak wordt toegepast
bij andere meetinstrumenten voor het aansluiten van een externe referentie,
waarvan de nauwkeurigheid groter is dan de eigen referentie. Uitgaande van
deze 10 MHz. zijn er (integer) deeltallen te vinden naar een frequentie in
de buurt van de gekozen omroep zender, en daarna naar de, na detectie
ontstane, (audio-)verschilfrequentie. Deze deeltallen zijn specifiek voor
de betreffende zender, waarvoor dan ook een zender-specifieke delertrein moet worden ontworpen. Het vorige verhaal
van de DCF77 referentie is daar een voorbeeld van.
Voor sommige zenders is
echter zo'n set van (integer) deeltallen niet mogelijk. Dit geldt met name
voor het signaal van de zender Donebach, die met
een sterk signaal door heel Europa uitstekend is te ontvangen. De draaggolf
van deze zender is ook afgeleid van een nauwkeurige referentie en bovendien
wordt deze niet in fase gemoduleerd en werkt met een betrekkelijk geringe
amplitude modulatie (30%). Voorlopig zijn er (nog?) geen plannen om de
uitzendingen van deze zender te stoppen. Van de zender Droitwich
is intussen bekend dat hiervoor geen verdere investeringen worden gedaan en
dat met de uitzendingen zal worden gestopt zodra de laatste van de (twee)
zender eindbuizen zal zijn opgebruikt.
Het leek mij daarom
verstandig om een frequentie referentie te ontwerpen die zonder verdere
aanpassing direct kan worden ingezet bij verschillende referentie zenders,
liefst zonder dat hiervoor de (lange-golf) ontvanger moest worden
omgebouwd.
Wanneer een niet-sinusvormig
signaal wordt ontleed, blijkt zo'n signaal een reeks harmonische te
produceren, waarvan het type en de sterkte afhankelijk is van de aard van
de vervorming van de sinus. Een impuls-vormig signaal produceert een lang
voortlopende reeks van dergelijke harmonischen, waarvan het
amplitude-verloop samen hangt met de impulsbreedte en de herhalingstijd.
Door een gunstige keuze is het goed mogelijk om een reeks van dergelijke
harmonische te produceren, waarbij het verschil van een specifieke
harmonische en de ontvangstfrequentie van de zender steeds een zelfde
waarde oplevert. Bij een herhalingsfrequentie van 5 kHz. zal de 31e
harmonische een frequentie opleveren van 155 kHz., hetgeen een
verschilfrequentie van 2 kHz. geeft met de draaggolf van de zender Donebach op 153 kHz. Datzelfde verschil van 2 kHz.
treedt op bij de 32e harmonische en de zender Allouis
op 162 kHz. Helaas gaat dit verhaal niet op voor de zender DCF77, omdat
hierbij de 16e harmonische een frequentie van 80 kHz. oplevert, en deze op
zijn beurt een verschil van 2,5 kHz. met de zender op 77,5 kHz. Met een
eenvoudige omschakeling van het LF-filter en de delertrein
komt echter ook deze zender binnen bereik.
Verder is met een paar
eenvoudige delerblokjes gemakkelijk uit de 10
MHz. referentie-oscillator de frequentie van 5 kHz. af te leiden, evenals
de frequenties van 2 en 2,5 kHz. voor de fase vergelijking.
Met een gunstige keuze van de
delerblokjes is het mogelijk om voor de
frequentie van 5 kHz. het laatste delerblokje te
laten bestaan uit een 5-deler. Deze levert meteen het implus-vormige
signaal (één tijdeenheid hoog, vier tijdeenheden laag) dat een lang
voorlopende reeks van harmonischen oplevert.
Voor de signalen van 2 en 2,5
kHz. zorgen we voor een laatste deling door 2, zodat het signaal mooi
symmetrisch wordt, hetgeen gunstig is voor de fase vergelijking met het
ontvangen signaal.
De rest van het systeem
bestaat uit de bekende fase gecontroleerde lus, met (de verschil frequentie
tot) het ontvangen station als de referentie frequentie.
De ontvanger bestaat weer uit
een (afgedankte?) radio-ontvanger met lange-golf ontvangst. Een goede
ontvanger hiervoor is de bekende klok/wekker-radio,
die vaak op slaapkamers worden gebruikt. De ingreep bestaat er uit dat de
luidspreker aansluiting naar buiten wordt gebracht, liefst met een
mogelijkheid om de interne luidspreker naar believen te kunnen
uitschakelen; de geproduceerde verschilfrequenties van 2 en 2,5 kHz. zijn
op den duur niet erg aangenaam om voortdurend te blijven horen, terwijl
normale ontvangst mogelijk moet blijven om gemakkelijk op een
(referentie-)zender te kunnen afstemmen.
Tevens wordt er een lusje van
één winding om de ferriet staaf gelegd, dat apart (en geïsoleerd) van de
luidspreker aansluiting naar buiten wordt gebracht. De radio houdt verder
zijn eigen voeding, omdat hierbij meestal al werd gezorgd voor voldoende
scheiding van het lichtnet en de storing daaruit op de ontvangst.
Op de ingang van het
referentie systeem is het audio-filter meteen uitgevoerd als audio-tranformator, zodat de koppeling met de radio-ontvanger
alleen aanwezig is in de vorm van een magnetisch veld, met een elektrische
koppeling van maximaal ca 20 pF. Dit blijkt
voldoende om geen last meer te hebben van het 'antenne-effect' als genoemd
in de inleiding.
De
schakeling
De schakeling van deze meer universele frequentie
referentie vertoont duidelijke overeenkomsten met de schakeling voor de
DCF77 referentie, maar wijkt ook op verschillende punten hiervan af zoals
we in bijgaand schema kunnen zien. De details worden hierna weer verder
uitgewerkt.

Werking
Na de gebruikelijke lange
golf ontvanger vinden we een afsluitweerstand, die ongeveer gelijk is aan
de belasting die de luidspreker van de ontvanger hierop uitoefent. De
uitgangspanning wordt gedeeld naar een kleine weerstand van 1 Ohm, die in
serie staat met de condensator en spoel van een afgestemde kring op 2 of
2,5 kHz. Deze L-C kring heeft een Q van ongeveer 30, hetgeen een hoge
opslingering geeft en een smalle doorlaat band van ongeveer 65 Hz. Met een koppelwinding
wordt het gefilterde en opgeslingerde signaal afgenomen en aan een
versterker toegevoegd. Door deze constructie wordt de ontvanger elektrisch
ontkoppeld van de rest van de schakeling, omdat de capaciteit tussen de
windingen niet meer dan ca 20 pF bedraagt
(gemeten waarde).
De versterker brengt het
signaal vervolgens ongeveer op logisch niveau, waarbij de gelijkricht brug
met het meter circuit er voor zorgt dat de versterker symmetrisch vast
loopt. De navolgende poort verzekert de logische niveaus, waarna het
signaal wordt vergeleken met het omlaag gedeelde signaal uit de oscillator.
In de discriminator wordt het
faseverschil omgezet in een gemiddelde gelijkspanning, die de oscillator bijregelt via de varicap. Het
signaal van 2 of 2,5 kHz. uit de
ontvanger wordt verkregen door het oscillator signaal omlaag te delen tot 5
kHz., waarna een harmonische hiervan het verschil van 2 of 2,5 kHz.
oplevert met de draaggolf van het afgestemde referentie signaal van de
gekozen zender.
De meter wordt omgeschakeld
van de positie 'locking', waarbij de sterkte van
het binnenkomende signaal uit de ontvanger wordt weergegeven, naar de stand
'locked', waarmee de spanning op de discriminator
uitgang wordt gemeten. Deze laatste zou ongeveer in het midden van de
schaal moeten staan, en daar ook blijven.
Het spreekt daarom vanzelf
dat de meter schakelaar en de 'locking / locked' schakelaar gekoppeld zijn (4 x omschakelaar).
Ontvanger
Voor de ontvanger kan heel
goed een (afgedankte) klokradio worden gebruikt, die beschikt over lange
golf ontvangst. Hiervan zijn er veel in omloop (geweest) waardoor deze voor
weggeef prijzen van enkele Euro's te koop zijn op bv. rommelmarkten. Het
voordeel van zo'n ontvanger is dat deze al over netvoeding beschikt en
bovendien van de fabriek uit al zo is ontworpen dat deze geen last heeft de
storing op het lichtnet. Door de verdere ontkoppeling van het
oscillator/deler circuit door het lusje rond de ferriet staaf en de
audiofilter transformator, blijft de radio ontvangst verder ongestoord en
onafhankelijk van de verdere apparatuur die aan de schakeling wordt
gekoppeld.
De radio ontvanger wordt
geschikt gemaakt voor de frequentie referentie door de luidspreker
aansluitingen naar buiten te brengen en het eerder besproken koppellusje. Het
is verstandig om meteen ook een schakelaartje aan te brengen om de interne
luidspreker uit te kunnen schakelen; de constante fluittoon van 2 of 2,5
kHz. kan op den duur hinderlijk zijn.
Audiofilter
De uiteindelijke bandbreedte van
het ontvanger systeem wordt bepaald door het audio filter. Dit filter is
met een Q van ongeveer 30 zeer smalbandig en laat maar een bandje door van ca 65 Hz. rondom de ontvangstfrequentie.
Het filter wordt gemaakt door
50 windingen van 0,45 mm.
geëmailleerd koperdraad te leggen op een kleine ringkern met afmetingen van
16 x 8 x 8 mm.
van het 3C90 ferriet materiaal. Deze zijn o.a. te koop bij de firma Brigatti in Eindhoven. De koppelwinding bestaat uit 15
windingen van hetzelfde draad, dat netjes tussen de eerdere windingen wordt
ingelegd. Omdat het ferrietmateriaal een hoge
spreiding heeft, moet de filter condensator per filter worden aangepast; de
waarde van 0,75 uF (polyester) is dan ook een
richtwaarde uit de proefschakeling. De condensator werd samengesteld door
een drietal condensatoren van een lagere waarde parallel te schakelen.
Sluit de schakeling aan op een signaal generator op dezelfde wijze als in
de schakeling, dus met een weerstand van 1 Ohm in serie met de kring en met
een weerstand van 10 Ohm naar de generator. Het maakt hierdoor niet uit of
de generator een hoge, dan wel een lage uitgangsweerstand heeft. Sluit de
koppelwinding af met een weerstand van 3k9 en meet hierover met een
oscilloscoop. Meet steeds bij een spanning op de oscilloscoop van maximaal
150 mVtop-top wanneer de kring in resonantie is.
De kring moet een maximum vertonen bij precies 2,00 of 2,50 kHz.
Voor ontvangst van DCF77
wordt een iets andere procedure aanbevolen. Ga hetzelfde te werk als hier
boven, maar zorg eerst met de juiste condensatoren voor een maximale
afstemming bij 2,50 kHz. Daarna wordt omgeschakeld en met toegevoegde
condensatoren de afstemming op 2,00 kHz. verzorgd. Tegelijk met het
audiofilter wordt ook de delerketen omgeschakeld
om 2,5 kHz. aan te bieden aan de discriminator.
Versterker en meter
De versterker bestaat uit een
teruggekoppelde trap met hoge versterking. De emitterweerstand dempt de
ingangsdiode karakteristiek zodat het uitgangsignaal symmetrisch blijft tot
relatief hoge uitsturingen. De diodebrug op de uitgang van de versterker
zorgt met de meterweerstand voor een verder symmetrisch clip gedrag van de
versterker. Aan de transistor worden geen andere eisen gesteld dan dat deze
een Hfe vertoont tussen 250 en 500. Veel moderne
LF transistoren voldoen hier aan.
De meterschakeling werd nog
wat uitgebreid t.o.v. de vorige schakeling. In de stand 'locking' kan met de volume regelaar van de ontvanger de
juiste sterkte van het aangeboden signaal worden bepaald. Met de aangegeven
meter (ca 1 mA volle schaal, Rm
= 450 Ohm) is dit het geval bij ca 3/4 van de
volle schaaluitslag (ca 2,5 V. top-top uit de
versterker). Een dergelijke meter is gemakkelijk verkrijgbaar, maar ook
elke (gevoeliger) meter zal hier voldoen, mits aangepast met eventuele
serie/parallel weerstand.
In de stand 'locked' wordt de meter omgeschakeld naar de uitgang van
de fase discriminator. Met de bewegingen van de naald kan de momentane fase
tussen het oscillator en referentie signaal worden bekeken. In het ideale
geval zal de meter een beetje schommelen rondom het midden van de schaal.
Zorg er voor dat bij gebruik van een andere meter dan aangegeven de wijzer
in het midden van de schaal staat bij een spanning van 2,5 V. Zo nodig de
serieweerstand hierop aanpassen (hier 10 kOhm).
In deze schakeling wordt de
meter omgeschakeld, gelijk met de omschakeling van de tijdconstante voor de
regeling, met een viervoudige omschakelaar. Het is natuurlijk ook mogelijk
om deze acties gescheiden te houden en de meterschakelaar niet te koppelen met
de tijdconstantes maar hiervoor aparte
schakelaars toe te passen.
Delerketen
De delerketen
bestaat uit een drietal IC's van het type 74HC390, die 'overal'
verkrijgbaar zijn voor enkele dubbeltjes. Hierdoor zijn ook de
referentiefrequenties van 1 MHz. en 100 kHz. beschikbaar. Breng ter
bescherming van de poorten steeds een weerstand van 330 Ohm aan in serie
met een logische uitgang. Wanneer zo'n uitgang wordt afgesloten met 50 Ohm
blijft er ruim voldoende signaal voor de instrumentatie ingang van een hierop
aangesloten meetinstrument en blijven de flanken van dit signaal goed
bewaard.
Door als laatste door '5' te
delen voor het antenne signaal ontstaat een impulsvormig signaal met veel
harmonischen en redelijk constant van amplitude. De uitgang wordt via een
weerstand ter bescherming van de poort, naar een potentiometer geleid, waar
het signaalniveau voor de ontvanger kan worden ingesteld. Voor de juiste
afregeling, zie verderop.
Uit de 5-deler komt een
signaal met harmonischen om de 5 kHz., behalve wanneer de harmonische
deelbaar is door 5 (5, 10, 15 etc.). Dat betekent ook dat de 40e
harmonische op 200 kHz. niet aanwezig is. Om toch te kunnen vergrendelen
aan Droitwich op 198 kHz., werd de uitgaande puls
van de deler een beetje verkort met een diode en een condensator, zodat ook
op de door 5 deelbare harmonischen voldoende signaal wordt verkregen.
De deler tot aan het 2 of 2,5
kHz. signaal voor de discriminator deelt als laatste door 2, waardoor een
symmetrische blokgolf ontstaat en de maximale faseruimte in de
discriminator kan worden benut.
Voor
ontvangst van DCF77 wordt de deler rechtsonder omgeschakeld. De stand '5'
wordt gebruikt om de deler te 'resetten', waardoor deze weer op nul begint
en zo effectief door '4' deelt, en aan de uitgang van de hele 'trein' de
frequentie 2,5 kHz. verschijnt i.p.v. 2 kHz. In de andere stand wordt de
'reset' ingang aan aarde gelegd, waardoor deze puls de ingang niet kan
bereiken. De deler deelt dan door 5, waardoor er op de uitgang de
frequentie 2 kHz. verschijnt. De delerschakelaar
is gecombineerd met de omschakeling van het audiofilter
Fasevergelijker en filter
In tegenstelling tot de DCF77
referentie, wordt in deze schakeling een viervoudige EXOR poort gebruikt.
Hierdoor kan de fase vergelijker gebruik maken
van de volle logische spanningszwaai i.p.v. de helft hiervan bij toepassing
van een logische NAND poort. De regelruimte wordt hierdoor ook twee maal zo
groot. Mocht er geen EXOR voor handen zijn, dan kan opnieuw een viervoudige
NAND poort worden toegepast zonder dat de schakeling of de
aansluitnummering hoeft te worden aangepast. Let op: in dit laatste geval
moet de schakeling op precies 10 MHz. worden afgeregeld bij een spanning
van 3,5 V. op de weerstand van 3k9, zie verder bij afregeling
Bij nieuwe inschakeling van
het circuit wordt de stand 'locking'
ingeschakeld, waardoor het circuit met een korte tijdconstante van ca 4 seconden snel de lus in regeling brengt. Na 20 -
30 seconden kan worden omgeschakeld naar de stand 'locked',
waarmee een tijdcostante van 100 seconden wordt
ingeschakeld. Hiermee worden de laatste 'ongerechtigheden uit het
discriminator signaal verwijderd en levert het referentiesysteem een zeer
'schoon' signaal op 10 MHz., met een 'voetpunt'-breedte minder dan 10 Hz.
op -70 dBc.
(beperking van de netwerk analyzer?).
Oscillator
De oscillator is het belangrijkste deel
van de schakeling, waaraan dan ook de meeste aandacht moet worden besteed.
Net als in de vorige schakeling wordt hiervoor een TCXO toegepast omdat
hiermee de meest nauwkeurige en stabiele frequentie wordt verkregen. Denk
er aan, dat binnen dezelfde reeks van (Philips) TCXO's,
de gevoeligheid voor capacitieve regeling sterk kan variëren. Bij een
exacte uitgangsfrequentie van 10 MHz. heb ik correctie waarden gemeten
tussen 16 pF en 40 pF. In het midden van het regelbereik (2,5 V. uit de
discriminator) ligt de waarde van diverse varicaps
van het type BB909 echter tussen 25 en 30 pF. Afhankelijk van de
gevoeligheid van de TXCO op de stuuringang kan het daarom noodzakelijk zijn
om hiermee een condensator in serie te plaatsen of hieraan parallel met de
BB909, voor een optimaal regelbereik.
Voor diegenen die geen
gebruik kunnen / willen maken van de hier toegepaste TCXO, zijn er nog
andere mogelijkheden, zij het met een wat lagere nauwkeurigheid.
Als alternatief hiervoor heb
ik een Colpitt oscillator ontworpen met zeer
goede eigenschappen voor de frequentie stabiliteit en (on-)gevoeligheid
voor voedingspanning variaties. Wanneer voor de beide condensatoren van 150
pF temperatuur-'ongevoelige' NP0 typen worden gebruikt, en deze oscillator
wordt 'ingepakt' in minmaal 25 mm. tempex rondom, kan
deze schakeling een redelijk alternatief zijn voor de TCXO, voor een fractie van de kosten.
Na de oscillator volgt een
versterker om het signaal op logisch niveau te brengen. De hier toegepaste
BSX20 is wederom niet kritisch en vele moderne schakeltransistoren
met Ft > 250 MHz. zullen hier voldoen.
De schakeling met de Colpitt oscillator vinden we hierna. Deze kan naadloos
de plaats van de TCXO overnemen op de daartoe aangegeven plaatsen.
Het TCXO gestabiliseerde
referentie signaal werd vergeleken tegen een atoomstandaard met een
beschreven onnauwkeurigheid van 10-12. In vergelijking hiermee komt de
onnauwkeurigheid van het 10 MHz. signaal uit de referentie schakeling uit
op ca 10-9. Dat komt neer op een
enkele Hz. bij een frequentie van 1 GHz., voor mijn doeleinden ruimschoots
voldoende.
Met de hierboven aangegeven Colpitt oscillator wordt een wat lagere stabiliteit
gehaald van ca 10-8.
De aangegeven stabiliteit
werd steeds gehaald ca 20 minuten na
inschakeling.
Voeding
In vergelijking met de DCF77
schakeling, kunnen de eisen aan de voeding worden verzacht. Een simpele
7805 voor 5 V. zal hier uitstekend voldoen. Denk er aan dat dit type driepuntregelaars
altijd voorzien moet worden van een condensator van 1 uF
aan de uitgang voor de stabiliteit. Zorg er voor dat de laagste waarde van
de rimpelspanning aan de ingang nooit lager dan 7,5 V. mag komen voor een
goede werking van deze regulator. Bij toepassing van een TCXO zal deze zijn meest optimale instelling
bereiken bij een voedingsspanning van 12 V., waarvoor een aparte
driepuntregelaar moet worden toegepast. Met een enkelvoudige, kleine 9 V.
transformator bij 150 mA. en een afvlakcondensator van 1000 uF na de Graetz
gelijkrichter, zijn beide van spanningen van 5 V. en 12 V. goed te
realiseren.
De hele schakeling vraagt
minder dan 25 mA, ook al omdat de ontvanger nu met een eigen voeding is
uitgerust.
Afregeling
De afregeling van de schakeling
is relatief eenvoudig. Allereerst wordt de oscillator op frequentie
gebracht. Hiervoor wordt een spanning van 2,5 V. aangebracht op de
(losgenomen!) weerstand van 3k9 van de stand 'locking'.
Nadat de schakeling ongeveer een halfuur is 'geacclimatiseerd' in de
meetruimte (die op 20 graden +/- 3 graden Celsius dient te zijn), wordt met
een goede frequentieteller op de uitgang de frequentie gecontroleerd op
10,000.000 MHz. Bij toepassing van de Colpitt
oscillator wordt deze op 10,000.000 MHz. ingesteld met de oscillator
trimmer.
Bij toepassing van de TCXO
dient met een externe condensator 'C' op de regelingang de
uitgangsfrequentie te worden ingesteld op exact 10 MHz. Vervolgens wordt de
waarde van deze condensator opgemeten. Bij waarden tussen 20 en 30 pF hoeft
er verder niets meer te gebeuren en kan de varicap
weer worden aangesloten. Bij waarden boven 30 pF dient een extra
condensator met een waarde van C - 25 pF te worden aangebracht, parallel
aan de varicap. Bij waarden beneden 20 pF moet
een condensator van ca 39 pF in serie met de varicap worden aangebracht.
Vergeet niet hierna de
weerstand van 3k9 en / of de varicap weer aan te
sluiten. Als de goede componenten werden toegepast, is dit een eenmalige
zaak die na een jaar ter controle kan worden herhaald.
Vervolgens wordt de
radio-ontvanger afgestemd op een referentie zender, bv. Deutschlandfunk in Donebach op 153 kHz.
Hoewel het systeem al binnen
de regeling komt bij een signaal-stoor afstand, waarbij wij allang de
betreffende omroepzender de rug hebben toegekeerd, worden de beste
resultaten pas bereikt bij een voldoende sterk en storing-vrij
signaal. Zoek daarom voor de hoogste nauwkeurigheid van de referentie eerst
de sterkste referentiezender (uitslag op de meter in de stand 'locking'), daarbij voor de beste richting van de radio
(indien voorzien van een richting-gevoelige ferriet antenne), en blijf ook
zo ver mogelijk uit de buurt van eventuele stoorbronnen (schakelende
voedingen, TL buizen). De hoogste nauwkeurigheid (geciteerde getallen) wordt
bereikt onder optimale omstandigheden.
Hierna wordt eerst alleen de
luidspreker uitgang op de frequentie-referentie aangesloten, en wordt de
schakelaar in de stand 'locking' gezet. Het
volume van de radio wordt nu zo ver opgedraaid, dat juist een eerste
beweging van de wijzer kan worden waargenomen en niet meer dan dat. Hierna
wordt ook de antenne aansluiting aangebracht en wordt het antenne signaal
met de potmeter opgedraaid. De wijzer zal nu vol uitslaan; eventueel het
volume weer iets terug nemen en nogmaals optimaal afstemmen (maximale
uitslag op de meter). Afhankelijk van het (Donebach-)
signaal ter plaatse, kan het antennesignaal zo ver worden opgedraaid, dat
de meter weer iets terug gaat lopen. In dat geval wordt opnieuw het maximum
signaal op de meter gezocht. Kan geen maximum worden gevonden met vol
opgedraaide potmeter, dan is het signaal ter plaatse mooi sterk, en kan
overwogen worden de uitgangsweerstand van 4k7 te halveren en opnieuw naar
een maximum te zoeken. Noodzakelijk is dit echter niet.
We kunnen naar een maximum
regelen omdat bij te veel referentiesignaal de AVR van de ontvanger gaat terugregelen, waardoor het ontvangen signaal minder
sterk wordt ontvangen. Wanneer beide signalen op de antenne even sterk
zijn, is het optimum bereikt en zal de AVR vrijwel zijn oorspronkelijke
waarde behouden.
Nadat het systeem in de stand
'locking' enige tijd is ingeregeld (neem hiervoor
ca 1 minuut) kan worden overgeschakeld naar de
stand 'locked'. De meter is nu aangesloten op de
discriminator en zal een beetje heen en weer schommelen rondom het midden
van de schaal omdat de ontvangen signaalfase dit verloop heeft ten gevolge
van propagatie omstandigheden onderweg naar ons. Verder zien we hier ook de
fase-modulatie terug van de zender (zie eerste tabel) en de invloed van de
amplitude modulatie hierop. De
aangegeven nauwkeurigheid wordt na ca 15 minuten
bereikt.
In het normale gebruik dient
alleen de laatste alinea van deze afregeling te worden gevolgd.
Uitbreiding met GPS ontvanger
Nadat de schakeling enige
jaren naar tevredenheid mijn kleine instrumentarium van een frequentie
referentie had voorzien, kon ik de hand leggen op een GPS ontvanger. Deze
worden al enige jaren voor zeer schappelijke prijzen aangeboden. In de
begintijd, zo'n tien jaar geleden, waren deze ontvangers uitgerust met een
uitgang die 1 Hz. signalen kon afgeven, die direct waren afgeleid van de
interne Rubidium standaard van de satelliet. De nauwkeurigheid van deze 1
Hz. frequentie had daarmee dezelfde nauwkeurigheid als deze Rubidium
standaard en is daarmee vergelijkbaar met die van de eerder besproken radio-stations. In die tijd zijn er verschillende
ontwerpen gepubliceerd van frequentie-referenties, gebaseerd op deze 1 Hz.
frequentie. Het spreekt vanzelf met deze lage vergelijkingsfrequentie, in
de systeem integrator gewerkt moet worden met zeer lange integratietijden,
om de uiteindelijke nauwkeurigheid te kunnen bereiken. De aldus werkende
frequentie-referentie kan daarom beter niet worden uitgeschakeld. Om die
reden heb ik hier verder niet naar omgekeken.
Al weer enige tijd worden er
tegenwoordig GPS ontvangers aangeboden, die naast de frequentie van 1 Hz.,
ook een frequentie van 10 kHz. afgeven, die eveneens gekoppeld is aan de
interne rubidium standaard van de satelliet. Voor dezelfde nauwkeurigheid
kan de integratietijd nu een factor 104 korter worden, waarmee
een hiermee opgebouwde frequentie referentie een stuk praktischer wordt.
Bij nadere beschouwing blijkt er maar weinig aan de eerder besproken
frequentie referentie te moeten worden aangepast, om ook het GPS signaal te
kunnen gebruiken voor de 'disciplinering' van de TCXO. Het volgende schema
maakt het duidelijk.

Op het eerste gezicht zijn er
nauwelijks verschillen te vinden met het eerdere schema, waaruit opnieuw
blijkt dat de verschillen minimaal zijn. Omdat de GPS module een frequentie
van 10 kHz. afgeeft, moet de delerketen ook deze
frequentie afgeven aan de fase discriminator. Hiervoor werd een
niet-gebruikte 2-deler in de onderste 74HC390 gebruikt. Door punt 6 met de
ingang op punt 1 te verbinden, levert punt 3 van dit IC nu een symmetrische
frequentie van 10 kHz., die verkregen wordt door de frequentie van 100 kHz.
door 5 en 2 te delen. De 5 / 4 -deler moet hiervoor natuurlijk in de stand
5-deler staan, met punt 2 aan aarde (niet-DCF77 stand). Met een schakelaar
wordt nu gekozen tussen de uitgang van de delerketen
die 2 of 2,5 kHz. afgeeft, of de nieuwe uitgang die 10 kHz. levert.
Verder dient ook de
ingangsversterker bovenaan in het schema te worden omgeschakeld tussen de
transformator naar de lange-golf ontvanger en de nieuwe ingang, met het 10
kHz. signaal van de GPS ontvanger. De beide omschakelaars voor GPS gebruik
vormen natuurlijk een enkele omschakelaar.
Meer aanpassingen zijn niet
nodig en de schakeling werkt verder volkomen identiek aan hetgeen eerder
werd besproken.
De dubbele omschakelaars; GPS
/ ander en DCF77 / ander kennen samen vier standen, waarvan er maar drie
zinvol zijn. Het is natuurlijk mogelijk om deze twee omschakelaars te
vervangen door een enkele draaischakelaar met drie standen voor resp.
DCF77, LG , GPS. Hiervoor zijn dan vier moedercontacten benodigd.
Bij deze uitbreiding werd ook
de functie van 'audio-versterker / meter' nog even onder de loep genomen.
In het eerdere schema werden deze twee functie door een enkele transistor
verzorgd. Het hieruit voortvloeiende compromis kan onder sommige omstandigheden
minder goed uitpakken, wanneer door oversturing de symmetrie van het
signaal naar de discriminator gaat verlopen en dus het regelbereik van de
lus wordt beperkt.
In de opzet van hierboven met
de dubbele operationele versterker TS272, zit de versterker 'wat ruimer in
zijn jasje' en wordt bovendien het filter minder belast (hogere Q, die
minder afhankelijk is van de uitsturing). Door een aparte gelijkrichter /
metersturing te creëren met de tweede opamp
(binnen dezelfde 8 pin DIL behuizing), wordt de filterversterker nauwelijks
meer belast en kan een groter scala van meters worden toegepast, waarvan de
gevoeligheid kan worden aangepast met de ingangsweerstand van 10 kOhm. Denk
er aan, dat bij aanpassing hiervan, ook de delerweerstand
van het GPS signaal moet worden aangepast (hier 15 kOhm), evenals de
weerstand van 10 kOhm naar de discriminator uitgang.
In deze configuratie kan ook
de schakelaar worden vereenvoudigd voor de meter omschakeling van 'locking' (meter geeft audio ingangsignaal)
naar 'locked' (meter geeft discriminator
signaal). Deze schakelaar wordt hiermee een tweevoudige omschakelaar.
Voor de volledigheid volgt
ook nog even de aansluiting met de GPS- ontvanger, die in hetzelfde kastje
als de schakeling kon worden ondergebracht. Het schema volgt hieronder.
De toegepaste Navman
Jupiter 12 ontvanger werkt op dezelfde voeding als de rest van de
schakeling en vraagt maximaal 100 mA, inclusief de actieve antenne. Het
signaal GPS 10 kHz. gaan naar de referentie schakeling, als hiervoor
besproken. Het 1 seconde signaal kan worden gebruikt om een nauwkeurige
klok te sturen, die natuurlijk wel moet worden bijgesteld bij de
omschakeling van zomer naar wintertijd en omgekeerd.
Denk er aan, dat het 10 kHz.
signaal als afgeleid van de rubidium standaard in de satelliet pas zijn
nauwkeurigheid bereikt, wanneer voldoende satellieten en met voldoende
sterkte worden ontvangen. Hiervoor moet de actieve antenne een voldoende
'vrij uitzicht' op de hemel hebben, dus direct voor een venster of in de
open lucht worden geplaatst.
Daarnaast dient de ontvanger het signaal van minstens drie
satellieten van voldoende sterkte te ontvangen voor een 'fix' in twee
dimensies. Voor de gebruikelijke 'fix' in drie dimensies zijn minimaal vier
satellieten nodig. Of er een 'fix' in twee of drie dimensies werd bereikt
vertelt de ontvanger in een aantal boodschappen via het z.g. NMEA protocol,
dat via punt 11 van de plug naar buiten komt. Denk er aan dat punt 7 van de
plug hiervoor geaard moet worden, omdat anders een ander dan het NMEA
protocol kan worden uiutgezonden. De andere
geaarde punten zijn voeding- en signaal aarde, die op de print allemaal
zijn doorverbonden.
Na buffering en invertering kan het NMEA-signaal worden aangeboden aan
punt 2 van de 9-polige PC connector voor seriële data overdracht (RS232 -
poort). Punt 5 van deze plug komt aan de systeem aarde.
Wanneer een (moderne) PC of
laptop geen 9-polige connector heeft, bestaan hiervoor verloop pluggen van
9-polig D naar een USB-poort, die zeker aanwezig is. Zo'n (actieve) verloop
plug kost ca € 10,-.
Op de PC wordt een programma
geïnstalleerd, dat in staat is om de boodschappen uit dit NMEA protocol te
vertalen en op een prettige manier weer te geven op je scherm. Enkele
gratis programma's zijn VISUALGPS en, je raad het al, NMEA. Er zijn er nog
veel meer, ieder met hun eigen voor- en nadelen. Het programma VISUALGPS
toont o.a. een fraaie hemelkaart met daarop de satellieten die op dat
moment boven de horizon staan, en ook de bewegingen in hun baan. Het
programma NMEA geeft ook deze informatie, maar op een meer zakelijke
manier, en geeft ook de exacte tijd weer.
Overigens kan de verbinding
met de PC weer worden verbroken wanneer is vastgesteld dat een 'fix' werd
bereikt.
Voor de volledigheid kan ik
nog melden dat de inverter tussen de GPS
ontvanger en de PC in het schema kan worden vrij gemaakt door het 10 MHz.
signaal uit de buffer transistor direct te verbinden met de ingang van de delerketen op punt 4 van de 74HC390. Er is dan geen
extra materiaal meer nodig.
Realisatie
Een mogelijke uitvoering van
de universele frequentie referentie met hierbij gebruikte klokradio vinden
we hier onder. De (kleine) GPS-ontvanger werd in het kastje met de referentie
ingebouwd. Het kastje met de schakeling is minder dan een derde van de
omvang van de vorige uitvoering, ook al omdat hierin nu niet meer de
radio-ontvanger werd ondergebracht.
De nauwkeurigheid van deze
schakeling ligt opnieuw in dezelfde orde als met de vorige schakeling met
TCXO, waarin een waarde van ca 5.10-9
wordt bereikt na 5 minuten en ongeveer 10-9 na ca 15 minuten. Ook de fase ruis is erg laag met een
bandbreedte van minder dan 10 Hz. op -70 dBc.
Deze getallen gelden bij toepassing van de TCXO. Met de Colpitt
oscillator ligt de nauwkeurigheid op ca 5 . 10-9
tot 10-8.
Bob J. van Donselaar, on9cvd@veron.nl
|